Als je Adem Stokt

Om me heen al die lichamen. Gezonde lichamen, jong en oud, man en vrouw. Ik hoor ze ademen. Ik zie gezichten. Sommige staan verbeten, anderen hebben een glimlach. Mijn eigen blik? Ik denk verbeten. Zouden mensen kunnen zien wat daar achter zit? Zien ze aan mijn manier van lopen waarom ik hier ben?

 

Mijn race is een andere race
Ik ren niet voor mezelf
Ik ren niet alleen
Ik ren omdat ik niet anders kan
Mijn race is begonnen voor de start
En gaat door
Ook na de finish

 

Vanochtend, heel even, dacht ik dat alles goed was. Tussen het moment dat ik wakker werd en mijn ogen open deed. Daarna keek ik naast me, in haar ogen die open waren. Ze was al wakker, had me laten slapen ondanks haar eigen pijn. Mijn adem stokt nu ik aan haar denk. Net als zo vaak aan de de rand van haar bed, alsof ik stikte. Hoe ik mijn best ook deed om het leven naar binnen te zuigen en mijn borst te vullen met kracht. Beklemming, het leven verkrampt. Je ziet iemand aan de rand van een afgrond staan, je reikt, je kunt je niet bewegen. Je staat te ver weg.

 

Het enige dat ik kan, is een stap zetten
de volgende, en weer een.
Elke stap raakt het asfalt, wordt de weg,
elke stap brengt mij verder
elke stap maakt ons sterker
we halen weer adem.

 

Langzaam ben ik gaan voelen dat ik van binnen weer een beetje kon ademen. Het rennen geeft me lucht. Waar het me eerst de adem benam. Fysiek. Omdat rennen eigenlijk niet echt “mijn ding” is. Bij de eerste loop trainingen al. Met mijn handen op mijn knieën. Steken in mijn zij. En zweet dat mengt met tranen op mijn gezicht. Dan een hand op mijn rug, woorden ver weg. ‘Het lukt niet helemaal zie ik’. Een vriendelijk gezicht. Dat me helpt met ademen en voorgaat op de kilometers die komen. Het is soms nodig om te volgen. Je moet hulp leren ontvangen, heb ik gemerkt.

 

Het enige wat niet kan, is stilstaan.
Hoor de klank van mijn zolen op de weg
als het ritme van een leven, een hart dat klopt.
Maar wanneer ik mijn stappen
hoor echoën in die van anderen,
tranen en een glimlach
een soort regenboog op mijn gezicht.

 

Ik ben er weer, kan er weer zijn. Voor haar, die ik niet kan helpen. Anderen moeten dat doen. Haar artsen, onderzoekers. Hen kan ik wel helpen. Voor haar en voor anderen die na haar komen. Als ik maar blijf ademen, als ik maar blijf bewegen. Over mijn kracht hoef ik niet meer te twijfelen. Eigenlijk draagt zij mij; ik kan niet anders dan de kracht in mezelf ontketenen.

 

Waar rennen we naartoe?
Naar het moment
dat we niet lopen omdat het moet.
Naar het moment
dat we de ziekte
hebben ingehaald.

 

Blijven ademen. Helpen, dat is wat ik doe. Ik ren door anderen en voor anderen. Zij geven mij de kracht om verder te lopen dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Stilstaan is geen optie, want elke kilometer die ik loop is er weer iemand die de diagnose krijgt; en als ik een kilometer verder ben, is een van die diagnoses een vonnis gebleken.

 

Elke kilometer die ik loop draagt bij.
Aan onderzoek,
om stappen dichterbij te komen.
Met elke stap haal ik dieper adem,
en voel ik de adem van anderen
van al die anderen die me dragen.

 

Ik richt mijn blik naar buiten. Zie de aanmoedigers aan de kant. Bekenden, mijn sponsors. Goede mensen voor mij en voor mijn lief. Ik zwaai naar ze. Ik kijk om me heen, mijn team, allemaal rennen zij een race die lijkt op de mijne. Anders maar toch gelijk, ieder voor zich maar toch samen. Daardoor kunnen we rennen, daardoor kunnen we helpen, daardoor kunnen we ademen.

 

Wie wacht op ons aan de finish?
En wie niet?
Wie rent naast ons?
Wie rent in ons hart mee?
Niet iedereen haalt de finish.
De weg. De finish. Voor elkaar.

 

Ik zie de finishlijn voor me, we kijken elkaar aan, mijn teamgenoten en ik. We zijn er allemaal doorheen gegaan. We zijn ons team t-shirt waard gebleken. We doen wat we hebben afgesproken: we pakken elkaars handen vast, en samen gaan we de finish over, tegelijk. Trots. Ik lach. De overtreffende trap van ademen is lachen, realiseer ik me. Ik pak mensen vast, ze pakken mij vast. We zijn niet alleen.

Zo dadelijk keer ik terug. Naar de rand van het bed. En het zal even anders zijn en toch hetzelfde. Ik zal haar vertellen hoe het was, hoeveel geld we hebben kunnen ophalen zodat mensen met kanker in de toekomst nog meer kans hebben op genezing. Voor haar, voor al die anderen. Omdat we altijd doorgaan, stilstaan geen optie is. Omdat we niet willen accepteren dat niet iedereen de finish haalt.

En ik zal ik haar hand vastpakken, vasthouden. Samen door.

 

Ren mee